Schermen en Hongaren (III): Tien vragen aan Lajos Nagy

Geplaatst 27 nov. 2016 13:47 door Melle Berg   [ 21 jan. 2017 07:47 bijgewerkt ]

In het jaar 1976-1977 schermde ik een jaartje in Utrecht onder leiding van maître Lajos Nagy. Nagy, geboren op 1 mei 1945 te Boedapest, was als vluchteling naar Nederland gekomen. In 1976 nam hij de schermzaal van een andere Hongaarse maître, Ádám Béla over. In 1977 richtte Nagy de Utrechtse schermvereniging ‘Pallós’ op. Hij kan beschouwd worden als de ‘founding father’ van onze vereniging. Ik zocht de meester op en stelde hem tien vragen.


László Marácz (LM): Hoe kwam u in contact met de schermsport en hoe oud was u toen?


Lajos Nagy (LN): Ik begon op mijn negende te schermen. Mijn vader gaf me op als lid van BVSC (De Sportvereniging van de Boedapester Spoorwegen).[1] Ik had liever een buitensport willen doen, voetbal, atletiek, vijfkamp of zo.


LM: Op welk wapen schermt u het liefst en waarom?


LN: De eerste jaren deden we alleen voetenwerk en gymnastiek. We kregen pas in het derde jaar een wapen in de hand. Ik heb het schermen op floret geleerd. Ik was echter meer geïnteresseerd in sabel. In die jaren (begin vijftig van de vorige eeuw, LM) was het Hongaarse sabelschermen onverslaanbaar. De wedstrijden verliepen niet via een knock-outsysteem maar vonden plaats in poules. De beste acht schermers kwamen in de finale en die schermden allen tegen elkaar. Op een wereldkampioenschap sabel waren er maar liefst zeven Hongaarse sabreurs in de finale. Hierna werd de regel ingevoerd dat ieder land met maar twee schermers vertegenwoordigd mag zijn bij grote toernooien.


LM: Welk niveau heeft u gehaald?


LN: Ik schermde op topniveau. Helaas kreeg ik in mijn ontwikkeling een aantal zeer vervelende blessures. Op mijn negentiende kreeg ik een scheuring van de heupspieren en op mijn twintigste brak ik mijn pols. Vanwege dit blessureleed kon ik twee jaar niet deelnemen aan wedstrijden. Ik voelde dat mijn maître Aladár Gerevich mij afgeschreven had wat hij natuurlijk niet tegen mij zei.[2] Zo bleef mijn ontwikkeling als topschermer eigenlijk in mijn jeugd steken.


LM: Hoe bent u schermleraar geworden?


LN: Nadat mijn actieve schermloopbaan in de slop geraakt was, deed ik toelatingsexamen op de Sportacademie in Boedapest. In vier jaar haalde ik het diploma schermleraar. Dat betekende tevens het einde was mijn actieve schermloopbaan. Ik ging me toeleggen op het onderwijs van de schermsport en werd gediplomeerd schermleraar.


LM: Hoe kwam u in Nederland terecht en hoe werd u schermleraar in Nederland?


LN: In 1970 zocht de Oostenrijkse Schermbond een schermcoach, die het Oostenrijkse sabelteam zou klaarstomen voor de Olympische Spelen van München in 1972. De Oostenrijkse schermers verbleven langere tijd in Hongarije en trainden onder leiding van verschillende Hongaarse meesters. Ik werd benaderd door de Oostenrijkse Bond en kreeg  een officiële uitnodiging om in Oostenrijk aan het werk te gaan.  Onder het communisme kon men in het buitenland alleen werken als men toestemming had van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik werd ontboden op het ministerie en mij werd te verstaan gegeven dat ik de officiële toestemming alleen zou krijgen voor een ‘kleine wederdienst’ wat in de tijd van de Koude Oorlog regelrechte spionage betekende. Ik weigerde. Als represaille werd  mijn paspoort ingetrokken en werd ik daarna in de gaten gehouden door de communistische geheime dienst. Desondanks lukte het mij om samen met mijn vrouw en dochtertje van vier maanden oud om Hongarije te ontvluchten via Joegoslavië. In Oostenrijk werd ik hartelijk ontvangen en kon ik aan de slag met de Olympische schermselectie. Met de KNAS kwam ik in contact op een toernooi in Brussel. De toenmalige voorzitter van de bond die in dranken handelde, deed me een beter bod dan de Oostenrijkse Schermbond. Ik kon ook naar de VS en Duitsland. Samen met mijn vrouw kozen we voor Nederland. Ik wilde niet naar Duitsland en mijn vrouw niet naar de VS, zo werd het Nederland. Daarnaast was er in Nederland een Hongaarse schermleraar (Béla Ádám, LM) die sportleraar was aan de Universiteit van Utrecht en vlak voor zijn pensionering stond. Ik had dus een goede mogelijkheid om zijn baan te krijgen. Uiteindelijk gebeurde dat ook.


LM: Wat waren de hoogtepunten voor u als schermcoach in Nederland? En wat waren de dieptepunten?


LN: Ik had de supervisie over de Nederlandse sabelequippe die tijdens internationale wedstrijden de beste zestien haalde. Ik heb Nederlandse kampioenen afgeleverd. [3] Tot mijn belangrijkste dieptepunt hoorden de intriges van sommige andere Nederlandse schermcoaches. Een van mijn pupillen, Ben Derksen, mocht Nederland ondanks het feit dat hij zich gekwalificeerd had voor de wereldkampioenschappen in Melbourne in 1979 Nederland op dat toernooi niet vertegenwoordigen. Een andere schermer kreeg de voorkeur die daar duidelijk niet op zijn plaats was. Dat bleek ook, zonder gewonnen wedstrijd overleefde hij de voorronde niet.


LM: Hoe kreeg de Utrechtse schermvereniging zijn naam ‘Pallós’?


LN: In het Nederlands leidt de naam “Nagy” (spreek uit [nodj] en betekent “groot” in het Hongaars, LM) tot een onduidelijke uitspraak en dus tot verwarring. Vandaar dat we als naam voor de schermvereniging de meisjesnaam van mijn vrouw (Vilma) Pallós (spreek uit [palloosh], LM) hebben gekozen.[4]


LM: Hoe zag u in de jaren zeventig en tachtig de ontwikkeling van de Nederlandse schermsport?


LN: Toen ik in Nederland aankwam,had de schermsport het niveau van amateurs, zeker als je dat vergelijkt met Oost-Europa. In het begin begreep ik ook niet waarom iemand wilde schermen als hij geen ambitie had om kampioen te worden. In Hongarije bestond er in die tijd geen recreatiesport, alleen topsport. Vandaar dat ik mijn pupillen moest enthousiasmeren om iedere dag te trainen. Zonder dagelijkse training is het niet mogelijk om resultaten te behalen. Het lukte mij om een aantal van mijn pupillen zoals Gert Camfferman te ‘begeesteren’. Er is helaas veel tijd nodig om goed te leren schermen. Frustrerend was dat wanneer mijn pupillen technisch beter werden, ze hun studies in Utrecht afgerond hadden en de stad en dus ook de vereniging verlieten.


LM: Wat is de belangrijkste bijdrage van de Hongaarse schermsport aan de wereld? En wat heeft de Nederlandse schermsport te bieden?


LN: De belangrijkste bijdrage van de Hongaarse schermsport aan de wereld is dat na de Hongaarse Opstand van 1956 en ook later tijdens het communisme erg veel schermleraren het land ontvlucht zijn en zij, de Hongaarse schermcoaches hebben bijgedragen aan de verspreiding van het hoge niveau van training, zoals we dat in Hongarije kennen. Ik ben al een tijdje niet meer actief in de schermwereld waardoor ik niet goed kan inschatten waar de Nederlandse schermsport nu staat.


LM: Waar bent u nu mee bezig?


LN:Vanwege het feit dat ik ’s avonds schermtrainingen verzorgde, kon ik aan de dagopleiding van de Academie voor Geneeskunde in Hilversum een diploma halen. Ik opende een praktijk in mijn huis waar ik met acupunctuur, homeopathie, phytotherapie patiënten behandelde; ’s avond gaf ik schermles. Ik kwam er snel achter dat ik niet iedereen kon genezen, en dat ik het minste succes boekte met de bestrijding van bloedvatvernauwing. Vandaar dat ik een nieuwe therapie ontwikkelde met geluidsgolven, die ik sonotherapie heb gedoopt en waarop ik in 1989 een patent kreeg. Mijn praktijk en het Nederlandse patent heb ik echter verkocht in 1993 en keerde een jaar later  terug naar Hongarije. Ik opende een praktijk in mijn ouderlijk huis in Boedapest en behandel patiënten met bloedvatvernauwing (www.sonoterapia.hu).


LM: Veel dank voor dit interview, Lajos.



[1] BVSC (Budapesti Vasutas Sport Club, ‘Boedapester Spoorwegen Sportvereniging)) is een begrip in de Hongaarse sport. De club werd opgericht in 1911. De sportvereniging van spoorwegarbeiders genoot onder de Hongaarse communistische volksrepubliek een enorm prestige en had de volle aandacht van de communistische leiding. BVSC heeft vele Europese, Wereld, en Olympische schermkampioenen voortgebracht (http://vivasoktatas.hu/bvsc-vivoszakosztaly-rovid-tortenete/).


[2] Aladár Gerevich is de ongeëvenaarde Hongaarse schermlegende. Hij is ‘the greatest Olympic swordsman ever’ met tien olympische medailles waarvan zes goud op het onderdeel sabel behaald op Olympische Spelen tussen 1932-1960. Hij staat zestiende op de ranglijst van beste olympiërs ooit. Hij was maître bij BVSC van 1971-1975.


[3] Onder de supervisie van maître Nagy werden Andries Tóth in 1980 op floret en Pieter de Bruin in 1990 op sabel in de kleuren van Pallós Nederlands Kampioen. Tóth zou daarna nog drie keer NK floret worden: 1984, 1985 en 1990 maar niet meer als vertegenwoordiger van Pallós.


[4] De naam PALLÓS is afgeleid van de wortel PAL in het Hongaars dat ‘slag, klap (met wapen)’ betekent. De wortel is verwant met de wortel BAL die in het Hongaarse woord voor ‘Bijl’ BALTA voorkomt (merk op dat deze wortel overigens ook in het woord BIJL terugkeert). De naam van een tweezijdig, scherp, recht, en breed zwaard of slagwapen, namelijk PALLOS is eveneens van de wortel PAL afgeleid. Dit wapen werd in Hongarije vooral als executiewapen gebruikt door beulen. Merk op dat in PALLOS de O kort is; in de naam van onze vereniging is de Ó daarentegen lang wat refereert naar degene die de PALLOS hanteert. De juiste betekenis van PALLÓS is dus ‘zwaardvechter’ of met een wat meer modernere interpretatie ‘oerschermer’.


OPROEP AAN PALLÓSLEDEN EN ANDEREN DIE ONDER SCHERMLERAAR NAGY GETRAIND HEBBEN: het zou mooi zijn om een aantal foto’s van maître Lajos Nagy te plaatsen. Helaas heeft de meester zelf geen foto’s meer uit die tijd. Graag verneem ik uw reacties (lkmaracz@ziggo.nl).

Comments